Glentanners wolschuur staat niet ver van het huis van de Ivey's. Het grind knarst onder onze schoenen als we het brede pad naar de schuur volgen. De grote, groene naaldbomen links van ons steken af tegen het verdorde gras en voor ons, in de verte, zijn de Nieuw-Zeelandse Alpen in wolken gehuld. De schapen boffen maar met zulk uitzicht, denk ik bij mezelf.
De wolschuur bestaat uit twee verdiepingen: de begane grond is van steen, de eerste verdieping van stalen golfplaten. We beklimmen de stenen trap naar de zware deur, die ons toegang geeft tot een lege schuur. Op de koperen plaquette aan de muur lees ik dat Ross' vader Ian deze schuur bouwde in 1964.
De schuur is nu misschien leeg, maar in de scheertijd is dat wel anders. Dan verandert dit kleine familiebedrijf plots in een grote onderneming. Zeven scheerders werken zich een slag in de rondte om alle vijfduizend schapen van hun vacht te ontdoen. Tot kortgeleden gebeurde dat nog met de hand, met behulp van een wolschaar, weet Ross ons te vertellen. Nu werken de meeste scheerders machinaal, met een scheermachine. “Als het schaap is geschoren, laten ze het naar beneden glijden”, vervolgt Ross, terwijl hij naar een van de houten glijbanen achter ons wijst. “Beneden wachten de schapen dan tot ze weer naar buiten kunnen.”